LMH

LMH
De term ‘homodiscriminatie vormt een verbijzondering van het begrip discriminatie en heeft alleen betrekking op homoseksuele mannen, lesbische vrouwen en biseksuele mannen en vrouwen. Als het gaat om slachtoffers van homodiscriminatie worden daar vaak ook transgender personen toe gerekend. Juridisch gezien valt discriminatie van deze groep echter onder discriminatie op grond van geslacht.

vrijdag 19 september 2014

Minister Opstelten zet in op versterking aanpak homofoob geweld door politie

Verandering rollen en verantwoordelijkheden

Met de komst van de nationale politie zijn de rollen en verantwoordelijkheden binnen het politiebestel op onderdelen gewijzigd.

In de zogenoemde Wassenaarse notitie (2011) zijn de (nieuwe) verhoudingen geschetst: de burgemeesters en de officieren van justitie
hebben en houden het gezag over de politie.

Het lokale gezag bepaalt wat de politie doet.

De minister van Veiligheid en Justitie stelt via zijn beheersverantwoordelijkheid de gezagsdragers in staat hun gezag uit te oefenen (“de minister bepaalt wat de politie kan, het lokale gezag bepaalt wat de politie doet”).

De minister stelt de landelijke beleidsdoelstellingen voor de
politie vast, gehoord hebbende de regioburgemeesters en het
college van procureurs-generaal.

De korpschef is verantwoordelijk voor het beheer.

Bestrijding homofoob geweld 

De aanpak van homofoob geweld maakt deel uit van zes politieprioriteiten die minister Opstelten, het Openbaar Ministerie en burgemeesters deze zomer overeenkwamen.

---

28 684Naar een veiliger samenleving

Nr. 412BRIEF VAN DE MINISTER VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 16 september 2014
Het duurzaam terugdringen van criminaliteit vergt blijvende aandacht, doorzettingsvermogen en consequent optreden. Criminaliteit verandert onder invloed van (maatschappelijke) ontwikkelingen, speelt in op nieuwe mogelijkheden en reageert op getroffen maatregelen. De Veiligheidsagenda 2015–2018, die u bijgaand aantreft1, anticipeert hier op; continuïteit waar de aanpak werkt, intensivering en innovatie waar gewijzigde omstandigheden dit vragen.
Met de komst van de nationale politie is de lokale verankering versterkt. De opgave om Nederland veiliger te maken is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Dat komt ook tot uitdrukking in de veiligheidsagenda 2015–2018 die ik samen met de regioburgemeesters,het college van procureurs-generaal en de politie heb vastgesteld. Voor het eerst zijn er nu naast de landelijke beleidsdoelstellingen van de politie, ook afspraken over de bijdragen van het gezag en van mij aan de aanpak van de veiligheidsthema’s opgenomen in één samenhangende veiligheidsagenda. Dit vanuit het besef dat een integrale aanpak onmisbaar is om criminaliteit effectief te bestrijden én duurzaam terug te dringen en te voorkomen. Het feit dat deze agenda en de bijhorende thema’s samen met het lokale bestuur, het Openbaar Ministerie en de politie tot stand is gekomen, onderstreept dat we als één overheid inzetten op de aanpak van criminaliteit en onveiligheid zowel op lokaal, nationaal als internationaal niveau. In het artikel 19 overleg wordt de voortgang van de veiligheidsagenda besproken.
Continuïteit en vernieuwing is het uitgangspunt bij deze veiligheidsagenda. De goede resultaten die met de landelijke beleidsdoelstellingen de afgelopen jaren zijn behaald bij bijvoorbeeld de bestrijding van kinderporno, de aanzienlijke stijging van het aantal aangepakte criminele samenwerkingsverbanden en bij de effectieve aanpak van de high impact crimes, geven voldoende aanleiding om de gekozen integrale, informatiegestuurde en dadergerichte aanpak voor te zetten.
In deze veiligheidsagenda is daarnaast ook veel aandacht voor vernieuwing. Criminaliteit kan immers alleen adequaat worden voorkómen en bestreden als tijdig wordt ingespeeld op relevante ontwikkelingen en nieuw opkomende fenomenen. Het tempo waarin ontwikkelingen zoals digitalisering en internationalisering zich voordoen en de toenemende impact die ze hebben op onze samenleving en dus ook op de criminaliteit binnen onze samenleving, maakt dat er nieuwe uitdagingen rijzen en dat bestaande fenomenen kunnen veranderen van aard; waar bijvoorbeeld bij een grote kinderporno zaak voorheen tientallen tot honderden foto's ter plaatse werden aangetroffen, gaat het nu over terabytes aan data die wereldwijd verspreid kunnen zijn. Om maar te zwijgen van het toenemende gebruik vanlivestreaming bij deze vorm van criminaliteit. Dit vraagt om een goede balans tussen een innovatieve aanpak en het continueren van een succesvolle aanpak welke geborgd is in de veiligheidsagenda.
Veiligheidsagenda 2015–2018
De veiligheidsagenda kent zes thema’s. Voor de aanpak van ondermijning, cybercrime, horizontale fraude, afpakken en kinderporno is evident een landelijke afgestemde aanpak noodzakelijk. Aan deze thema’s zijn specifieke meetbare landelijke beleidsdoelstellingen voor de politie gekoppeld (art 18 Politiewet 2012). Deze thema’s en bijbehorende landelijke beleidsdoelstellingen zijn gezamenlijk tot stand gekomen met als achterliggend idee dat deze thema’s maatschappelijke veiligheidsproblemen zijn die landelijk spelen, die (regio)grensoverschrijdend zijn en/of waar afstemming op landelijk niveau voor nodig is. De aanpak van de high impact crimes wordt met name lokaal bepaald. De veiligheidsagenda is complementair aan de lokale veiligheidsagenda’s. Het spreekt voor zich dat het aan de lokale driehoek is om de keuzes te maken die ervoor zorgen dat de politie daar is waar zij nodig is.
De thema’s uit de veiligheidsagenda en de bijbehorende ambities zijn samengevat de volgende:
1) Versterken van de aanpak van ondermijnende criminaliteit
Er worden tenminste 950 criminele samenwerkingsverbanden aangepakt door middel van strafrechtelijk onderzoek. Er wordt ingezet op een kwalitatieve versterking van de aanpak van ondermijnende criminaliteit middels een integrale aanpak. Deze aanpak wordt meer gericht op kopstukken en sleutelfiguren uit het criminele proces en de vermogensposities van criminelen en criminele samenwerkingsverbanden worden verder teruggedrongen (afpakken).
2) Bestrijden van cybercrime
Het aantal cybercrime onderzoeken stijgt naar 360 in 2018. Tevens worden er meer complexe zaken aangepakt, tenminste 50 in 2018 waardoor er een kwaliteitsslag wordt gemaakt in de aanpak.
3) Versterken van de aanpak van horizontale fraude
Er wordt geïntensiveerd op de aanpak van horizontale fraude; het aantal strafzaken vanuit de regionale eenheden stijgt met 50%. Daarbij wordt een kwalitatief kader ontwikkeld voor de weging en selectie van zaken.
4) Bestrijden van kinderporno
Ook bij de bestrijding van kinderporno wordt een kwaliteitsslag gemaakt; er zullen meer complexe zaken worden opgepakt. De focus bij kinderporno ligt op daadwerkelijk misbruik, productie van kinderpornografie en op kindersekstoerisme. Het aantal interventies zal stijgen naar 700 in 2018. Binnen die interventies wordt een onderscheid gemaakt in complexe zaken, reguliere zaken en eenvoudige zaken.
5) Terugdringen high impact crimes (woninginbraken, overvallen, straatroven)
De aanpak van High Impact Crimes borduurt voort op de succesvolle combinatie van een gebiedsgerichte- en een persoons- en dadergerichte aanpak bij woninginbraken, straatroven en overvallen. Hierbij verdienen jeugd, geweld en mobiele bendes nadere aandacht. Mijn ambitie is het aantal woninginbraken te laten dalen naar 61.000 in 2018. Het ophelderingspercentage stijgt naar 11,5%. De daling op het aantal straatroven wordt doorgezet naar 5931 in 2018 waarbij er een ophelderingspercentage is van 30,3%. Tot slot is de ambitie om het aantal overvallen nog verder te laten dalen naar 1540 in 2018. 50,8% van de overvallen is dan opgehelderd.
6) Afpakken
Er wordt ingezet op het meer afpakken van wederrechtelijk verkregen vermogen door het versterken van het integraal afpakken. De opbrengsten van het strafrechtelijk afpakken stijgt naar 115,6 miljoen euro in 2018.
Tot slot
De ambities voor de komende jaren zijn stevig, maar realistisch. Dit vereist nauwe samenwerking op zowel landelijk als lokaal niveau tussen politie, openbaar ministerie, gemeenten en andere (keten)partners. Ik heb er het volste vertrouwen in dat de in de bijlage van deze brief geformuleerde ambities voor de komende periode tot solide en aansprekende resultaten leiden en ben alle betrokken partijen erkentelijk voor hun bijdrage en de samenwerking bij de totstandkoming van deze agenda. Deze agenda draagt bij aan het verder vergroten van de veiligheid in Nederland.
De Minister van Veiligheid en Justitie,I.W. Opstelten

Aanbiedingsbrief van minister Opstelten (VenJ) aan de Tweede Kamer bij de Veiligheidsagenda 2015 - 2018.

dinsdag 16 september 2014

Koning Alexander benoemt 'geaardheid' expliciet in de Troonrede.

Koning Alexander benoemt 'geaardheid' expliciet in de Troonrede. 

Citaat: " Iedere inwoner van ons land moet zich vrij voelen om uit te komen voor zijn of haar geloof, geaardheid en levensovertuiging.'http://www.telegraaf.nl/binnenland/prinsjesdag2014/23086902/__Tekst_troonrede_2014__.html

De enkele uitlating "homo" heeft geen beledigend karakter.

Instantie Rechtbank 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2007
Datum publicatie
21-08-2007
Zaaknummer
01-000504-07 
Rechtsgebieden
Strafrecht 
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig 
Inhoudsindicatie
De enkele uitlating "homo" heeft geen beledigend karakter.
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl 

Uitspraak

Parketnummer 01 000504 07
Uitspraakdatum 21 augustus 2007

STRAFVONNIS
Vonnis van de politierechter in de rechtbank te [geboorteplaats] in de zaak tegen
Naam [naam verdachte]
Voornamen [voornaam verdachte]

Geboren [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats]
Wonende te [adres] [woonplaats]
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 14 augustus 2007.
De politierechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.
De tenlastelegging
De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2007.
Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2007 te 's Hertogenbosch opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde], gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "homo's", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;
( art 267 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht )
De geldigheid van de dagvaarding.
De dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de politierechter.
Krachtens de wettelijke bepalingen is de politierechter bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.
Uit het onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Schorsing der vervolging.
Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing der vervolging gebleken.

De officier van justitie eist:
Een geldboete van 200 euro subsidiair 4 dagen hechtenis.

De bewijsbeslissing.
De verdediging voert het navolgende verweer.

De uitlating “homo” heeft geen beledigend karakter. Het is een neutraal begrip gelijk aan het begrip “hetero”. Daarom kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzettelijk de verbalisant heeft beledigd door naar hem te roepen: ”homo”.
De politierechter overweegt het volgende.
Het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was, gezien de context – verdachte ziet de verbalisanten bekeuringen uitdelen op nieuwjaarsnacht en vindt dat niet gepast – gericht op het beledigen van de verbalisant. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij begrijpt dat de verbalisant zich beledigd heeft gevoeld en heeft dan ook zijn excuses hiervoor aangeboden.
Aangever heeft verklaard dat hij zich in zijn eer en goede naam aangetast voelde doordat verdachte hem publiekelijk het woord ”homo” toeriep.
De enkele uitlating “homo” heeft naar het oordeel van de politierechter echter geen beledigend karakter. Dat wordt anders indien aan het woord “homo” negatieve toevoegingen worden gedaan, zoals vieze en/of vuile, of als het woord gebruikt wordt als onderdeel van een reeks van (al dan niet aan seksuele geaardheid gerelateerde) negatief geladen uitlatingen. Van dit alles is geen sprake in deze zaak.
Het woord “homo(‘s)” duidt op neutrale wijze een bepaalde groep mensen in de (Nederlandse) samenleving aan. Dit neemt niet weg dat een individu het als onwenselijk en onprettig kan ervaren indien hij/zij in het openbaar verkeer ten onrechte in een bepaalde groep wordt geplaatst. Een vrouw zal er moeite mee kunnen hebben te worden uitgemaakt voor man, terwijl een homo wellicht liever niet wordt uitgemaakt voor hetero. Men kan zich ook voorstellen dat dergelijke uitlatingen worden gedaan met het doel om te beledigen en dat ze ook als zodanig worden ervaren. Deze subjectieve beleving is weliswaar een constitutief vereiste voor een strafbare belediging, maar deze is niet maatgevend. Artikel 266/267 van het Wetboek van Strafrecht beschermt namelijk iemands publieke eer en goede naam en daarmee ook een objectiveerbaar belang. Het toegevoegd krijgen van een neutrale term als “homo” (vergelijk vrouw of hetero) rechtvaardigt dus nog niet de conclusie dat de betrokkene wordt aangetast in zijn (publieke) eer en goede naam en dat hij in een ongunstig daglicht wordt gesteld. Homoseksualiteit bepaalt niet de mate van iemands eer en/of goede naam, en stelt hooguit iemand in een ander – dus geen ongunstig - daglicht.
De neutrale uitlating “homo” kan alsnog een beledigend en daarmee strafwaardig karakter krijgen door de (bijzondere) context waarbinnen deze is gedaan. In het onderhavige geval is naar het oordeel van de politierechter echter geen sprake van een dergelijke context. Verdachte heeft zijn uitlating gedaan op de openbare weg, in een uitgaansgebied waarbij anderen aanwezig zijn. De openbaarheid die dit met zich meebrengt is een vereiste voor een strafbare belediging en niet een bijzondere omstandigheid die een uitlating een beledigend karakter geeft. Als dat voldoende zou zijn, zou immers gebruik van de term homo in het openbaar – nodeloos en ongerechtvaardigd - worden beperkt.
Dat aangever een politieagent in functie is, geeft de uitlating “homo” evenmin een beledigend karakter. Een politieagent hoeft niet meer dan anderen te tolereren, maar ook niet minder.
Uit het dossier zijn evenmin omstandigheden bekend die de term “homo” het vereiste beledigende karakter kunnen geven om verdachte te veroordelen.

De politierechter is van oordeel dat het verweer slaagt en spreekt verdachte vrij.
UITSPRAAK
De politierechter acht niet bewezen hetgeen verdachte is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.H.J. Evers,
in tegenwoordigheid van drs. B.C. van Wijmen, griffier
en is uitgesproken op 21 augustus 2007.
Drs. B.C. van Wijmen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

zaterdag 23 augustus 2014

BELEID KABINET

Het kabinet veroordeelt (stelselmatige) pesterijen en discriminatie op welke grond dan ook.

De overheid heeft een belangrijke rol in het adequaat reageren op uitingen van discriminatie, in voorlichting en educatie en in het kanaliseren van klachten en aangiften over discriminatie.

Het kabinet meent dat discriminatie tegen LHBT’s harder bestraft dient te
worden. Om dit te bewerkstelligen is een aantal maatregelen genomen,
waaronder een verhoging van de strafeis van het openbaar ministerie bij
ingrijpende delicten met een discriminatoir karakter van +100%.

Deze maatregelen staan genoemd in de discriminatiebrief 5, die op 13 juli 2011 aan de Kamer is aangeboden.

Nederland heeft 3 belangrijke LHBT-doelstellingen:
1. Afschaffen van strafbaarstelling van homoseksualiteit.
2. Tegengaan van discriminatie van LHBT.
3. Bevorderen van sociale acceptatie van LHBT.

Zie ook brief ministers Opstelten en Leers van 6 maart 2012
Onderwerp wegpesten uit woonomgeving en reactie op diverse

discriminatierapporten

Tijdens het 30-ledendebat over het wegpesten van homostellen op 8 februari 2012 heeft de minister van Veiligheid en Justitie toegezegd u te berichten over de uitkomst van het overleg met de burgemeesters, Openbaar Ministerie en politie over discriminatoir wegpesten in de woonomgeving. Dit gesprek, dat tijdens het Algemeen Overleg Discriminatie van 21 december jl. bij uw Kamer is aangekondigd, heeft inmiddels plaatsgevonden. Hierbij wordt de toezegging u te informeren gestand gedaan. Tevens wordt met deze brief voldaan aan de toezegging van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel bij het 30- ledendebat van 8 februari jl., een schriftelijke reactie te geven op een aantal door het lid Van Klaveren aangehaalde rapporten.
Onderzoeken discriminatie en acceptatie LHBT’s Het lid Van Klaveren refereerde aan een vermeende relatie tussen de ‘multiculturele samenleving’ en ‘hedendaagse homohaat’. Hij wees daarbij op de
rapporten ‘Monitoring van sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland (SCP - 2007)’, ‘Gewoon anders (SCP - 2010)’, ‘Als ze maar van me afblijven (UVA - 2009)’ en ‘Geweld en agressie in het onderwijs (Research voor Beleid – 2004)’. Bij de gevraagde analyse is tevens het rapport ‘Steeds gewoner, nooit gewoon’ (SCP – 2010) betrokken.

Uit het onderzoeksmateriaal komt een genuanceerd beeld naar voren.
Internationaal gezien ligt de acceptatie van LHBT’s in Nederland
verhoudingsgewijs hoog. Dit geldt in het algemeen voor de acceptatie van homoseksualiteit in West-Europese multi-etnische of multiculturele
samenlevingen. Uit het onderzoek ’Steeds gewoner, nooit gewoon’ blijkt dat een groot deel van de gehele Nederlandse bevolking (91%) van mening is dat homoseksuele mannen en lesbische vrouwen vrij moeten zijn om hun leven te leiden zoals zij dat willen. Wel heeft een deel van de Nederlandse bevolking moeite met zichtbare homoseksuele uitingen. Met name onder orthodox-religieuze Nederlanders komt een negatieve houding tegenover homoseksualiteit relatief vaak voor (34%).

Wij verwijzen hier ook graag naar het rapport ‘Geweld tegen homoseksuele mannen en lesbische vrouwen’ van Movisie’, dat voorzien van een beleidsreactie door onze voorgangers op 7 december 2009 aan uw Kamer is zonden (TK2009-2010, 27 017, nr. 58).

Op basis van het rapport ‘Gewoon anders’ kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een negatievere grondhouding tegenover homoseksualiteit binnen bepaalde minderheidsgroepen in Nederland, met name waar het een huwelijk tussen homostellen betreft en het openlijk en het expliciet uitdragen van het homoseksualiteit. Dit geldt zowel voor orthodox Christelijke Nederlanders als voor de onderzochte migrantengroepen (Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en Chinese
Nederlanders). Wel geeft een ruime meerderheid van de onderzochte
migrantengroepen in het onderzoek ‘Monitoring van sociale acceptatie van homoseksuelen in Nederland’ aan dat homoseksuelen vrij moeten zijn om hun leven te leiden zoals zij willen. Uit het al eerder aangehaalde rapport ‘Gewoon anders’ blijkt dat de afwijzing van homoseksualiteit door veel niet-westerse Nederlanders wordt gelegitimeerd vanuit de religie, maar dat daarachter vaak traditionele opvattingen schuil gaan over huwelijk, familie en voortplanting, en over mannelijkheid en vrouwelijkheid.

Als het gaat om daders van discriminatoire uitingen en geweld, blijkt uit het onderzoek ‘Als ze maar van me afblijven’, dat in Amsterdam verdachten van fysiek geweld vaak jongens tussen de 17 en 25 jaar zijn. Marokkaans-Nederlandse jongeren zijn binnen deze groep oververtegenwoordigd. De landelijke politiecijfers over deze periode (eerste helft 2008) geven aan dat in 14% van de gevallen door het slachtoffer een migrant als dader werd aangewezen. Geen van de geïnterviewde daders in het Amsterdamse onderzoek gaf aan een hekel te hebben aan homoseksuelen. De motieven van deze Marokkaans-Nederlandse daders zijn nagenoeg gelijk aan die van autochtoon-
Nederlandse daders. Het meest genoemde argument (40%) om over te gaan tot geweld richting homo’s, was als de jongeren denken seksueel object te zijn van homomannen. Het rapport geeft aan dat het geweld van de daders niet religieus is geïnspireerd. Bijna alle geïnterviewden vonden dat homoseksualiteit bij de Nederlandse samenleving hoort.
Op grond van deze rapporten kunnen geen algemene uitspraken worden gedaan over de religieuze of etnische achtergrond van verdachten of daders van geweld richting homoseksuelen of over een verband tussen percepties of gevoelens over homoseksualiteit en discriminerende uitingen of daden. Bijeenkomst discriminatoir wegpesten Zoals wij in het dertig-ledendebat van 8 februari jl. al hebben aangegeven is het onacceptabel dat het nog steeds voorkomt dat homostellen worden weggepest.
Dit was voor de minister van Veiligheid en Justitie de concrete aanleiding om een gesprek aan te gaan op 14 februari jl. met verschillende burgemeesters en vertegenwoordigers van gemeenten die te maken hebben gehad met discriminatoir wegpesten, te weten Utrecht, Den Haag, Amsterdam, Delft, Oude IJsselstreek en Haarlem. Zij waren vergezeld van de betrokken officieren van justitie en politieambtenaren. Daarnaast namen aan het gesprek deel de voorzitter van het College van procureurs-generaal, de portefeuillehouder discriminatie van de Raad van Korpschefs en vertegenwoordigers van het Landelijk Expertisecentrum Diversiteit en van de minister voor Immigratie, 
Integratie en Asiel. De focus was gericht op de vraag of het huidige
instrumentarium voor de aanpak van wegpesten toereikend is. De bijeenkomst maakte zichtbaar dat het tegengaan van discriminatoir
pestgedrag in de woonomgeving een lokale topprioriteit is en onacceptabel is. Het commitment van alle betrokkenen is groot. Alle partijen zijn het er over eens dat de aanpak van pestgedrag een lokale aangelegenheid is, die om maatwerk
vraagt. Juist vanwege de lokale verantwoordelijkheid, de verschillen in de lokale situatie en de noodzaak om per situatie de juiste maatregelen te kunnen treffen bestaat er geen aanleiding deze aanpak te uniformeren. Duidelijk is dat het fenomeen vraagt dat de lokale driehoek er bovenop zit, het gezag zich laat zien en de voorkomende (potentiële) gevallen vroegtijdig signaleert, actie onderneemt en regie voert. Hierbij is een goede informatievoorziening binnen de gemeente cruciaal en communicatie tussen de betrokken instanties - en richting slachtoffers en de buurt - van essentieel belang. 

De verschillende casussen zijn divers van aard. In sommige gevallen ligt een burenruzie ten grondslag aan de pesterijen, waarbij slachtoffers negatief worden bejegend op grond van hun religie, ras, seksuele oriëntatie of een andere reden. In andere gemeenten speelt zichtbaarheid van iemands godsdienst, ras of seksuele gerichtheid door de expressie van het slachtoffer een rol. Voor de aanpak is van belang dat de feitelijke gebeurtenissen goed worden vastgelegd en dat er sprake is van een goede dossieropbouw. Het selectief aanpakken van
bepaalde vormen van discriminatie helpt niet om de problematiek het hoofd te bieden.

Er is geen sprake van een eenduidig beeld van de daders. In een aantal
gemeenten heerst de idee dat bij pesterijen vanwege iemands homoseksuele gerichtheid vaker allochtone jongeren de oorzaak vormen, in andere casussen gaat het om divers samengestelde groepjes rondhangende jongeren of over directe buren. Er zijn zorgen omtrent groepjes kinderen onder de 12 jaar die pestgedrag vertonen, vooral omdat de ouders van deze kinderen veelal slecht aanspreekbaar zijn op het gedrag van hun kinderen. In beginsel volstaan de wettelijk beschikbare instrumenten om pestgedrag in de woonomgeving tegen te gaan. Gemeenten hebben een aantal goede praktijken en creatieve instrumenten met elkaar gedeeld. Hieruit is naar voren gekomen dat
verschillende instrumenten worden ingezet, zoals gedragsaanwijzingen op basis van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast, cameratoezicht, opnameapparatuur, een alerteringsysteem voor slachtoffers, aware-kastjes met een opvolgingsprotocol, lokagenten, een mobiele politiepost of het inzetten van de ME. Deze instrumenten dragen bij aan een veilige leefomgeving. De inzet van deze instrumenten blijft echter een lokale aangelegenheid en de lokale overheden dienen hierin zelf hun keuzes te maken.
De deelnemers aan de bijeenkomst hebben aangegeven dat zij de bestaande wettelijke mogelijkheden en huidige bevoegdheden –vooruitlopend op een strafrechtelijke veroordeling - nog beter kunnen en zullen verkennen. Voor strafrechtelijke vervolging is het van belang dat de politie signalen herkent, discriminatie vroegtijdig signaleert en zich bewust is van de strafrechtelijke mogelijkheden. Slachtoffers kunnen dan aangifte doen. Om een goed beeld te krijgen van de omstandigheden van het geval, is het aan de wijkagent om vroegtijdig contact te leggen met de melders. De wijkagent dient snel zicht te krijgen op de dadergroep en de kwestie snel op te schalen naar het Regionaal Discriminatie Overleg en de lokale driehoek. Bij discriminatie van LHBT’s kan ook Roze in Blauw een waardevolle rol spelen, door de wijkagent in positie te brengen de juiste maatregelen te nemen, door kennis van het milieu waarbinnen het slachtoffer zich beweegt in te brengen en om het vertrouwen van het slachtoffer te winnen.
Zodra er sprake is van vervolging is het van belang dat politie en OM gemeenten en slachtoffers tijdig informeren over de voortgang van strafrechtelijke trajecten. Dat geldt ook voor procedures bij de rechtbank. Het gemeentebestuur dient hiervan direct op de hoogte te zijn.
In het gesprek gaven de gemeenten voorts aan de bestaande mogelijkheden nog beter te zullen benutten. Wij blijven hierover met elkaar in gesprek. Daarnaast zullen de bestaande mogelijkheden om groepsbelediging aan te pakken, de anonieme getuige in te zetten, huisuitzettingen te realiseren, te korten op sociale voorzieningen en gegevens uit te wisselen in lijn met de privacywetgeving, samen
nader worden verkend.
Wij informeren u hierover in de aangekondigde voortgangsbrief discriminatie dit najaar.
De Minister van Veiligheid en Justitie,
I. W. Opstelten
De Minister van Immigratie, Integratie en Asiel G.B.M. Leers 

6 maart 2012
Kenmerk 237409

maandag 11 augustus 2014

College voor de Rechten van de Mens tikt Woningbouwvereniging “Volksbelang” Helmond op de vingers.

Woningbouwvereniging “Volksbelang”maakt jegens een huurder verboden onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid door niet te hebben gezorgd voor een discriminatievrije woonomgeving.


Oordeel
2014-94


Datum: 8 augustus 2014
Dossiernummer: 2014-0050



Oordeel in de zaak van
[. . . .]
wonende te [. . . .], verzoeker

tegen

Woningbouwvereniging “Volksbelang”
gevestigd te Helmond, verweerster


1 Procesverloop

1.1 Bij verzoekschrift van 11 februari 2014, dat op diezelfde dag is ontvangen, heeft verzoeker het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het College) gevraagd te onderzoeken of verweerster jegens hem (verboden) onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid heeft gemaakt door hem niet, dan wel niet voldoende, te beschermen tegen discriminatoire bejegening door buren/huurders, waaronder het niet zorgvuldig behandelen van een klacht over discriminatie.

1.2 Daarna zijn de volgende stukken gewisseld:
- verweerschrift d.d. 10 juni 2014;
- e-mail met bijlagen van verzoeker d.d. 1 juli 2014.

1.3 Het College heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2014, waar partijen zijn verschenen. Verzoeker werd vergezeld door [. . . .], een vriend. Verweerster werd vertegenwoordigd door mr. E. de Ruiter, advocaat, Huisvestingsadvocaten BV, die werd vergezeld door [. . . .], assistent manager wonen.

1.4 Het College heeft verweerster ter zitting om aanvullende schriftelijke informatie gevraagd. Verweerster heeft op 15 juli 2014 stukken gestuurd. Verzoeker heeft hierop zijn reactie gegeven. Het College heeft het onderzoek op 22 juli 2014 gesloten.


2 Feiten

2.1 Verzoeker huurt tussen 24 december 2005 en 1 oktober 2013 een woning van verweerster. Verzoeker woonde in een complex met een galerij waaraan zijn woning en die van de buren waren gelegen.

2.2 Verzoeker stuurt verweerster op 3 juli 2011 een e-mail waarin staat: “Bij deze stuur ik u mijn klacht toe.” Verzoeker stuurt verweerster op 16 juli 2011 een e-mail waarin staat: “Tot op heden heb Ik geen antwoord gehad op mijn klacht dat ik bedreigd ben door de buren (…). Graag zou ik van u willen vernemen of de klacht in behandeling is genomen en wat er vervolgens aan gedaan wordt.(…)”

2.3 Verzoeker stuurt verweerster op 5 juli 2012 een e-mail met: “Heden avond werd een bezoeker/vriend de toegang naar mijn appartement deels versperd. (…) Mijn bezoeker zei beleefd: (…) “Ik vind het zeer vervelend dat ik niet goed door kan lopen”, waarop mijn bezoeker voor mongool en nog veel meer shit werd uitgemaakt. (…) Wederom de politie gebeld en wachtend op het rapport wil ik zo spoedig mogelijk met u in gesprek om aan deze terreur van asociaal gedrag een einde te maken. (…)”

2.4 Op 6 juli 2012 stuurt verzoeker verweerster meerdere e-mails, waarin hij schrijft: “Afgelopen nacht ben ik uit mijn woning gevlucht vanwege het ruzie-zoek-gedrag van mijn buren. Ik heb met de politie afgesproken dat ik ook aangifte tegen [verweerster] indien, daar zij homodiscriminatie toestaan. De politie is met mij van mening dat u medeschuldig bent en niet adequaat optreedt. Het is namelijk zo, dat [de buurman] gisteren meerdere malen heeft geroepen dat “hij me al 3 jaar geleden in elkaar wilde slaan. Wij homo's zijn kutvolk. Ik ben pedofiel.” (…) Ik eis van u dat u er zorg voor draagt, dat [de buurman] vandaag nog uit de flat verdwijnt. Ik accepteer op geen enkele manier het bagatelliseren of bemiddelen. (…) [Verweerster] weet dat ik gediscrimineerd wordt, kijkt toe en doet niets. Daarmee geeft [verweerster] aan dat [verweerster] homodiscriminatie toestaat. Zowel [vriend van verzoeker] als ik zijn hedenavond aangevallen door [de buurman]. Hij stak pootje uit, en greep ons bij de nek. Hij deed een mesbeweging alsof hij me wilde killen.”

2.5 Op 6 juli 2012 vindt een gesprek plaats tussen verweerster, verzoeker en een vriend van verzoeker.

2.6 Verweerster brengt op 6 juli 2012 een brief naar de buren. In die brief staat: “Helaas hebben wij een melding van overlast ontvangen welke veroorzaakt zou worden door u (…). [Verweerster] vindt deze zaak dermate ernstig dat zij het van belang vindt om de situatie persoonlijk met u te bespreken. Wij nodigen u beide uit op het kantoor op 9 juli a.s (…)”.

2.7 Op 7 juli 2012 doet verzoeker aangifte bij de politie van ‘belediging’. In het proces-verbaal van aangifte staat: "Ik kom aangifte doen van discriminatie
en belediging tegen mijn buren (…).”

2.8 Op 8 juli 2012 doet een vriend van verzoeker aangifte bij de politie van ‘eenvoudige mishandeling’. In het proces-verbaal van aangifte staat: "Ik kom aangifte doen van mishandeling door [buurman verzoeker].(…) Ook zelf ben ik vaker het doelwit geweest van de beledigende opmerkingen als mongool, lamstraal profiteur en op een kleinerende wijze het woord homo  gebruiken om mij hiermee te kwetsen in verband met mijn homoseksuele geaardheid. (…) Opeens zag ik dat de buurman uit zijn stoel omhoog kwam, hij pakte me toen met een hand stevig bij mijn keel en kneep in mijn keel. Ik schrok hier hevig van. Ik kon zijn hand los maken. Toen kreeg ik een stevige duw met zijn schouder. Hij pakte mijn armen hardhandig en stevig vast en ik kon me los maken. Door deze greep aan mijn armen heb ik blauwe plekken. (…) (Noot verbalisant: Ik zie een blauwe plek aan de binnenkant van de linker arm. Ik zie een blauwe plek aan de binnen kant van de rechter arm ter hoogte van de elleboog en een blauwe plek aan de rechter onderarm ter hoogte van de pols.) (…)”

2.9 Verweerster voert op 9 juli 2012 een gesprek met de buren van verzoeker. In een interne notitie naar aanleiding van dit gesprek staat onder andere: ”Meneer en mevrouw zijn rustig. Meneer geeft aan niet van de geaardheid van de heren [verzoeker en een vriend] te houden. Tot ongeveer een jaar geleden kwamen de heren nog bij hen over de vloer. Vorig jaar zijn ze nog op de 50e verjaardag van mevrouw geweest. Meneer heeft ook altijd geroepen: “Ik wil alles voor jullie doen, zolang je maar niet aan mijn achterkant komt”. Hier konden ze altijd om lachen. Meneer had geen behoefte ze op zijn verjaardag uit te nodigen en toen is het mis gegaan. Ze kunnen niets meer hebben. Er mogen geen plantjes meer op de galerij hangen/staan. Er mag geen stoel ingeklapt staan. Er worden continue foto's gemaakt van mevrouw en nu tot slot mails gestuurd naar het werk van mevrouw. Dit is voor haar de druppel. Meneer heeft afgelopen vrijdag tegen de politie verklaard dat hij zich niet meer in kan houden. Hij ziet dat zijn vrouw zich opsluit in huis en dat kan toch niet de bedoeling zijn, aldus meneer. (…)”

2.10 Verweerster stuurt verzoeker op 11 juli 2012 een brief. Hierin staat: “Op 5 en 6 juli jl. heeft u ons gemaild over het conflict met uw buren (…). U beschrijft in uw e-mails dat uw buren u discrimineren, provoceren en uitschelden. Naar aanleiding van uw e-mails hebben wij u op 6 juli jl. uitgenodigd op het kantoor van [verweerster] om de situatie persoonlijk te bespreken. U heeft ons verteld dat de discriminatie, het provocerend gedrag en het uitschelden al ruim een jaar aan de gang is. Daarnaast heeft u verteld dat u regelmatig geluidsoverlast ervaart van
uw buren, doordat zij veel bezoek ontvangen en regelmatig feestjes geven. Naar aanleiding hiervan heeft u in het verleden de politie gebeld. Tijdens het gesprek heeft u verteld dat u ook uw buren hebt uitgescholden. U zegt dat u dit gedaan heeft omdat u er genoeg van hebt en er niet meer tegen kunt. Op 9 juli jl. zijn uw buren bij [verweerster] op kantoor geweest om de situatie met hen te bespreken. Daarnaast hebben wij contact met verschillende partijen om de situatie zo goed mogelijk in beeld te brengen. [Verweerster] heeft de situatie ondertussen aangemeld in Team Woonoverlast. Dit is een overleg waaraan verschillende disciplines deelnemen om samen woonoverlast aan te pakken en op te lossen.(…)”

2.11 Verweerster stuurt op 11 juli 2012 een brief naar de bewoners van het complex waar verzoeker woont. In de brief staat: “Op dit moment is er een conflictsituatie tussen de bewoners van [straatnaam en huisnummers] gaande. [Verweerster] is op dit moment de situatie aan het onderzoeken. Graag willen wij van u weten of u ook overlast ervaart. (…) Met uw informatie krijgen wij een zo duidelijk mogelijk beeld van de situatie. (…)” Naar aanleiding hiervan ontvangt verweerster enkele reacties van bewoners.

2.12 Verzoeker vordert op 2 november 2012 bij de Rechtbank te ’s-Hertogenbosch verweerster in kort geding te veroordelen om een procedure bij de rechter aanhangig te maken tegen [de buren] teneinde de huurovereenkomst met hen te ontbinden. De Rechtbank doet op 23 november 2012 uitspraak, waarbij de vordering wordt afgewezen. De Rechtbank overweegt onder meer: “[Verweerster] heeft op de van [verzoeker] ontvangen signalen gereageerd zoals haar als verhuurder paste: eigen onderzoek doen onder toepassing van hoor en wederhoor, verificatie bij omwonenden, melden van het geval bij de daartoe geroepen instantie (Team Woonoverlast) en het (doen) aanbieden van bemiddeling.(…) [Verzoeker] heeft het aspect van homohaat benadrukt. (…) De processuele keuze van [verzoeker] om tegen [verweerster] te ageren en niet tegen de direct betrokken medebewoners, maakt dat de voorzieningenrechter dat in dit kort geding niet goed heeft kunnen onderzoeken. Vraagpunten over de feiten maken terughoudend bij het treffen van voorlopige voorzieningen.”

2.13 Tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter tekent verzoeker op 20 december 2012 hoger beroep aan bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
Het Gerechtshof doet op 17 september 2013 uitspraak en bevestigt de uitspraak van de voorzieningenrechter.


3 Beoordeling van het verzoek

3.1 Ter beoordeling ligt de vraag voor of verweerster jegens verzoeker (verboden) onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid bij het aanbieden van goederen of diensten door onvoldoende zorg te dragen voor een discriminatievrije woonomgeving.

Juridisch kader

3.2 In artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB), in samenhang met artikel 1 AWGB, is bepaald dat het maken van onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid is verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten en bij het sluiten, uitvoeren of beëindigen van overeenkomsten ter zake, indien dit geschiedt door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van volkshuisvesting.

3.3 Verweerster stelt zich op het standpunt dat zij geen onderscheid maakt als zij niet optreedt tegen discriminerende buren/huurders. Zij vindt dat zij als verhuurder geen wettelijke verplichting heeft haar huurders te beschermen tegen discriminatoire bejegening. Verder stelt zij dat, nog daargelaten dat die verplichting niet bestaat voor verhuurders, zij niet begrijpt dat zij zelf zou discrimineren als zij niet zou optreden tegen discriminerende buren/huurders.

3.4 Het College stelt vast dat verweerster werkzaam is op het gebied van volkshuisvesting, woonruimte te huur aanbiedt en ter zake overeenkomsten sluit, uitvoert en beëindigt. Hieruit volgt dat verweerster bij het uitvoeren van deze activiteiten gehouden is de bepalingen van de AWGB na te leven en derhalve als normadressaat van de AWGB is aan te merken.

3.5 Het is vaste oordelenlijn van het College dat het verbod om onderscheid te maken in de zin van artikel 7 AWGB niet alleen een negatieve verplichting met zich brengt, in de zin van het zich onthouden van het maken van onderscheid. Het verbod brengt ook een zelfstandige, positieve verplichting met zich, om maatregelen te nemen ter naleving van de gelijkebehandelingswetgeving (vergelijk College voor de Rechten van de Mens 14 november 2013, 2013-143, overweging 3.4, en Commissie Gelijke Behandeling, thans College, 2012-116, 5 juli 2012, overweging 3.8). Het wettelijke verbod om onderscheid te maken houdt derhalve voor verweerster mede in dat zij dient zorg te dragen voor een discriminatievrije huuromgeving.
Dat betekent dat zij zo nodig en indien mogelijk, stappen moet ondernemen als een huurder door een medehuurder wordt gediscrimineerd. De positieve verplichting houdt ook in dat verweerster klachten over discriminatie zorgvuldig moet behandelen en, zo nodig, passende maatregelen moet treffen ter voorkoming en bestrijding van discriminatie.

3.6 Verzoeker stelt dat verweerster jegens hem onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid. Daarmee valt zijn verzoek onder de reikwijdte van artikel 1 AWGB.

Onderscheid bij discriminatievrije woonomgeving? 

3.7 Het College stelt vast dat het bieden van een discriminatievrije woonomgeving, in de zin van het al dan niet treffen van maatregelen tegen huurders die zouden discrimineren, nauw samenhangt met de behandeling van de klacht die verzoeker over discriminatie heeft ingediend. Van verweerster kan immers pas worden verwacht op te treden tegen mogelijke discriminatie als zij hiervan op de hoogte is of had moeten zijn. Verweerster kan hiervan op de hoogte komen via het behandelen van verzoekers klacht. Immers, de uitkomst van de klachtbehandeling biedt duidelijkheid of verzoeker is gediscrimineerd door de buren.

3.8 Daarom wordt beoordeeld of verweerster de klacht van verzoeker over discriminatie door de buren zorgvuldig heeft behandeld. Hierbij stelt het College het volgende voorop. Een zorgvuldige klachtbehandeling vereist een deugdelijk en objectief onderzoek, met onder meer hoor en wederhoor. Verweerster moet de uitkomst van het onderzoek terugkoppelen naar de klager. Voor de klager moet helder zijn wat er met de klacht is gebeurd. Tenslotte dient verweerster, als dat in de gegeven situatie relevant is, passende maatregelen te nemen (zie onder meer College voor de Rechten van de Mens 3 juli 2014, 2014-79, overweging 3.17, en College voor de Rechten van de Mens, 1 mei 2014, 2014-53, overweging 3.7).

3.9 Verzoeker stelt dat hij in juli 2011 bij verweerster heeft geklaagd over discriminatie door de buren. Verweerster betwist dit. Het College constateert dat verzoeker in juli 2011 weliswaar een klacht bij verweerster heeft ingediend, maar niet is gebleken, in het bijzonder ook niet uit de twee e-mails waarin de klacht is vervat, dat het om een klacht over discriminatie ging. Daarom gaat het College er van uit dat verweerster in juli 2011 geen klacht over discriminatie van verzoeker heeft ontvangen.

3.10 Verzoeker doet op 5 juli 2012 per e-mail bij verweerster zijn beklag over de buren. Verweerster heeft aangegeven dat zij deze e-mail, in samenhang met de e-mails van verzoeker van 6 juli 2012, heeft opgevat als een klacht die (mede) gaat over discriminatie op grond van homoseksuele gerichtheid. Het College zal beoordelen of verweerster deze klacht zorgvuldig heeft behandeld.

3.11 Het College stelt voorop dat verweerster de klacht van verzoeker voortvarend heeft opgepakt. Verweerster heeft direct op 6 juli 2012 een gesprek gevoerd met verzoeker. Daarop overhandigt verweerster diezelfde dag nog een brief aan de buren waarin zij hen uitnodigt voor een gesprek op kantoor. Dat gesprek vindt plaats op maandag 9 juli 2012. Ook de daaropvolgende acties, het versturen van een brief naar de bewoners van het complex, teneinde nadere informatie te vergaren, en de aanmelding van het dossier bij het Team Woonoverlast, kunnen als voortvarend worden aangemerkt.

3.12 Het College is van oordeel dat onderzoek zelf evenwel niet toereikend is geweest in het licht van de eisen die voortvloeien uit de gelijkebehandelingswetgeving. Verweerster heeft het aspect van discriminatie onvoldoende aan bod laten komen door dit vrijwel direct te laten schuilgaan achter de algemene noemer ‘overlast’. Zo schrijft verweerster de buren dat zij een gesprek met hen wil voeren over ‘overlast’ (zie 2.6). Daarmee is de insteek van het gesprek ‘overlast’ geweest, en niet (mede) een klacht over discriminatie. Voorts is niet gebleken dat verweerster de buren uitdrukkelijk heeft geconfronteerd met de uitlatingen die zij zouden hebben gedaan, zoals: “Die flikkers moeten hier opflikkeren", “Ik zorg er wel voor dat jullie flikkers hier vertrekken” en “Homo’s zijn kutvolk”. Verweerster zegt weliswaar dat zij het discriminatieaspect aan bod heeft laten komen, maar dat blijkt niet uit het interne gespreksverslag dat verweerster heeft opgesteld. Daaruit blijkt veeleer dat de buren in het gesprek hun grieven over verzoeker kenbaar hebben gemaakt (2.9). De aandacht trekt dat de buurman in het gesprek zegt dat hij niet van de geaardheid van verzoeker (en diens vriend) houdt en altijd heeft geroepen: “Ik wil alles voor jullie doen, zolang je maar niet aan mijn achterkant komt.”
Het College is van oordeel dat, met een verklaring als deze, het voor verweerster te meer in de rede had gelegen om uitdrukkelijk het aspect discriminatie te onderzoeken. Het College overweegt dat ook in een situatie waarin beide partijen in zekere mate aan het ontstaan en het escaleren van een conflict hebben bijgedragen, het de wettelijke plicht van verweerster blijft om ervoor te zorgen dat het discriminatieaspect van de klacht in beeld blijft en (afzonderlijk) wordt behandeld.

3.13 Na het gesprek met de buren stuurt verweerster de bewoners van het complex een brief teneinde inlichtingen over de situatie in te winnen (zie 2.11). In deze brief spreekt verweerster over een ‘conflictsituatie tussen twee buren’ en over ‘overlast’. Uit deze woordkeuze blijkt evenmin dat verweerster haar nadere onderzoek (mede) gericht heeft op het discriminatieaspect. Verweerster meldt de situatie vervolgens aan bij het Team Woonoverlast. Dat dit team oog zou hebben voor (mogelijke) discriminatie is gesteld noch gebleken. Verweerster stuurt verzoeker tenslotte op 11 juli 2012 een brief (2.10). In deze brief schetst verweerster hetgeen zij van beide partijen te horen heeft gekregen; zij schrijft dat zij contact heeft met verschillende partijen om de situatie zo goed mogelijk in beeld te krijgen en dat zij het dossier heeft aangemeld bij Team Woonoverlast. Het College is van oordeel dat verweerster met deze brief verzoeker niet heeft geïnformeerd over de uitkomst van haar onderzoek. Verweerster maakt verzoeker niet duidelijk wat de (voorlopige) conclusie van haar onderzoek was inzake discriminatie.

3.14 Op grond van deze bevindingen stelt het College vast dat verweerster verzoekers klacht over discriminatie niet zorgvuldig heeft behandeld. Het College beseft dat verweerster werd geconfronteerd met een situatie die in korte tijd is geëscaleerd en waar moeilijk grip op te krijgen was. Bovendien is verzoeker zelf ook niet altijd even tactvol geweest. Dat neemt echter niet weg dat het op de weg van verweerster lag om de gestelde discriminatie en homohaat zelfstandig en nadrukkelijk te onderzoeken en de uitkomst van haar onderzoek terug te koppelen naar verzoeker.

3.15 Zoals hiervoor is overwogen rust op verweerster de positieve verplichting om zorg te dragen voor een discriminatievrije woonomgeving (zie 3.5). Deze verplichting vangt aan op het moment dat verweerster wist of had moeten weten dat sprake is van discriminatie. Het College heeft vastgesteld dat het onderzoek van verweerster niet (voldoende) zorgvuldig is geweest. Hierdoor is er een niet te verwaarlozen kans dat sprake is (geweest) van discriminatie, terwijl verweerster geen stappen heeft genomen om, voor zover dat in haar mogelijkheden lag, hier zicht op te krijgen en hiertegen op te treden. Dit is verweerster aan te rekenen nu het voor haar rekening komt dat het onderzoek niet zorgvuldig (genoeg) is geweest.

3.16 Het College komt derhalve tot zijn oordeel dat verweerster jegens verzoeker verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid door niet te hebben zorg gedragen voor een discriminatievrije woonomgeving.

4 Oordeel

Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat Woningbouwvereniging “Volksbelang” jegens [. . . .] verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van homoseksuele gerichtheid door niet te hebben zorg gedragen voor een discriminatievrije woonomgeving.

Aldus gegeven te Utrecht op 8 augustus 2014 door prof. mr. J.C.J. Dute, voorzitter, mr. D.C. Houtzager en mr. D. Ghidei, leden van het College voor de Rechten van de Mens, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Hester, secretaris.





prof. mr. J.C.J. Dute 
namens deze,
mr. D.C. Houtzager

mr. S.B. Hester